Artikel: Onderhandelen op het scherpst van de snede

Een aantal jaren geleden.

Ik heb piket als politieonderhandelaar. ’s Morgens rond een uur of 11 word ik gebeld door de meldkamer en ze vragen mij om naar een woning te gaan waar een man met een mes zou staan te zwaaien die dreigt om zichzelf van het leven te beroven. Onderweg naar het opgegeven adres bel ik met een collega onderhandelaar en vraag hem om met mij mee te gaan (politie onderhandelaars werken nooit solo: minimaal met zijn tweeën en soms met een volledig team van onderhandelaars). Zoals altijd wanneer ik als politieonderhandelaar onderweg was naar een incident, liet ik alle mogelijke scenario’s de revue passeren

– wie en wat zal ik aantreffen

– is er direct gevaar voor hem en voor anderen

– wat zou de reden zijn dat deze persoon dit nu, vandaag, op dit moment doet

– zou hij met mij willen praten

– zou hij of zij rustig zijn of emotioneel

– welke openingszinnen zou ik kunnen gebruiken

Wanneer ik er ben (‘ter plaatse ben’ in politietaal) word ik geïnformeerd over de situatie door de leidinggevende die de onderhandelaars en het arrestatieteam verzocht heeft om te komen. De buren hebben de politie gebeld omdat zij herrie en geschreeuw hadden gehoord en zich zorgen maakten. De collega’s van de surveillancedienst hadden aangebeld. De deur werd voor hen opengedaan met een touwtje van bovenaf en toen zij de deur openden, zagen zij dat de trapgang vol lag met allerlei spullen uit de woning en boven aan de trap stonden een man (vader?) en een jongetje (zoontje?) van ongeveer 5 jaar oud. De vader met een samoerai-zwaard op zijn buik en het jongetje met een broodmes op zijn buik. De vader riep dat ze ‘op moesten rotten’ en wanneer ze dichterbij of binnen zouden komen, zou hij het zwaard doordrukken in zijn buik en zijn zoontje zou hetzelfde doen. De politiemensen van de surveillancedienst hadden zich – verstandig genoeg – teruggetrokken. Het verzoek aan mij was om in gesprek met de man te gaan en om tot een veilige oplossing te komen.

Wat denk jij nu als lezer. Wat gaat er om in je hoofd, wat voel je in je lichaam, wat vind je er van? Heb je een oordeel? Denk je dat het gaat lukken om in gesprek te komen met deze man?

Diezelfde vragen stelt een politieonderhandelaar zichzelf ook. Voordat ik een onderhandeling inga, waarbij het om leven of dood gaat, vraag ik me af wat ik voel: spanning? Ja. Waar voel ik dat in mijn lichaam? Gaat het me lukken om in gesprek te komen? Ja, want dat is mijn vak. Gaat het lukken om de man en zijn zoontje te beïnvloeden om het zwaard en het mes weg te leggen? Ik hoop het. Wat is het alternatief? In dit geval zou het alternatief zijn dat een arrestatieteam de vader en de zoon zal proberen te overmeesteren (met het gevaar dat ze opgemerkt worden en de vader en zijn zoontje zichzelf wel zullen verwonden. Bovendien levert een aanhouding door een arrestatieteam een jongetje van 5 a 6 jaar oud geen prettige herinnering op). Heb ik een oordeel over het gedrag van een vader die dit doet ten overstaande van en met zijn zoontje? Ja. Heb ik een oordeel over de vader als persoon? Nee: ik ben slechts intens nieuwsgierig hoe een vader zo ver kan komen om dit te doen. Wat is er allemaal gebeurd, wat heeft hiertoe geleid?

Deze nieuwsgierigheid en het niet veroordelen van de persoon maakt dat ik mij open kan stellen voor een dialoog. Dat ik weet waar mijn eigen spanning zit en mijn eigen oordeel (op het gedrag dat hij zijn zoontje in gevaar brengt) maakt dat ik mijn eigen gevoel los kan laten en accepteren: het gaat dan niet meer om mij en daardoor kan ik luisteren naar de ander. Luisteren, vragen stellen, stiltes laten vallen, samenvatten en haakjes oppakken. Verbinding maken en vertrouwen opbouwen.

Ik luister niet alleen naar wat er gezegd wordt. Ik luister vooral naar wat er niet gezegd wordt of wat er ‘onder’ ligt aan emoties. ‘Jullie moeten oprotten’ is voor mij een teken dat hij ziet dat we er zijn.

‘Ik vertrouw al die hulpverleners niet, dus jou ook niet’ is voor mij een opening om op door te vragen naar zijn ervaringen met hulpverleners

‘Niemand zal het een zorg zijn als wij er een eind aan maken’ is voor mij een voorzet om te vragen waarom hij dat op dat moment zou willen doen.

‘Ik wil dat het over is’ is voor mij een moment om zijn angst of vermoeidheid te erkennen.

Uiteindelijk lukt het me inderdaad om met de man in gesprek te komen. Het verhaal dat er achter ligt is – zoals vrijwel altijd in dit soort gevallen – triest en veel. Hij vertelt mij het verhaal van zijn overleden vrouw, van zijn zaak die failliet is gegaan en het feit dat zijn zoontje en hij die week uit hun woning gezet zouden worden. Hij voelt zich gehoord door mij. Hij voelt dat ik hem niet veroordeel. Hij begrijpt dat er andere mogelijkheden zijn dan de noodgreep waar hij nu voor had gekozen.

Na ruim twee uur leggen de man en zijn zoontje het zwaard en het mes weg en komen ze samen naar beneden.

Altijd een moment voor politieonderhandelaars om opgelucht adem te halen en om het contact met de ander ‘af te ronden’. Soms gebeurt dit direct, soms gaan we nog mee naar het politiebureau om onze gesprekpartner daar over te dragen aan collega’s of andere hulpverleners of instanties.

Ik zou over deze enkele onderhandeling zoveel kunnen vertellen: over gespreksvoering, over onderhandelen, over beïnvloeding, over zelf gegijzeld worden door je eigen angsten of oordelen, over de voorbereidingen van een onderhandeling etc. etc. Lessen die niet alleen leerzaam zijn voor politieonderhandelaars, maar ook zeker van toepassing zijn voor leidinggevenden, docenten, zorgverleners etc.

Over deze lessen en overeenkomsten later meer…